28 mei 2015

Gratis diensten op het internet: hoe je ‘free lunch’ betaald wordt

Facebook, Google, LinkedIn en nog duizenden andere, gratis diensten op het internet. Geweldig, maar... luidt het gezegde niet: ‘There is no such thing as a free lunch’? Reclame, zegt u? Zeker, maar dat is lang niet het hele antwoord.

(Dit artikel verscheen eerder - niet gratis - in TPO Magazine.)

Een drogist betaalt Google voor een advertentie op de resultatenpagina als jij ‘schilfertjes’ en ‘jeuk’ invoert als zoekopdracht. Een kraakhelder principe dat we allemaal begrijpen. Betaalde advertenties zijn één manier om een online dienst te ontwikkelen en draaiende te houden, zonder dat je voor het gebruiker hoeft te betalen. Soms irritant in de vorm van een ‘pop up’-schermpje of wachttijd voordat dat veelbelovende YouTube-filmpje opstart. Soms gemakkelijk te negeren of misschien zelfs informatief. Maar er zijn meer manieren waarop een gratis dienst van de eindgebruiker profiteert om de schoorsteen te laten roken. De meestgebruikte modellen…

Data mining
Gegevens en data van eindgebruikers zijn geld waard. Stel je de winkelier voor die overweegt een vestiging te beginnen op een bepaalde locatie. Hij wil dolgraag informatie over de lokale en regionale koopkracht, de samenstelling van de huishoudens, de demografische opbouw enzovoort.

Wij – eindgebruikers – zijn (bewust of onbewust) gul met onze persoonsgegevens als we iets gratis mogen gebruiken. Zo delen we achteloos ons uitgebreide CV in LinkedIn of onze reisbewegingen via de navigatie-app Waze. De organisaties achter dit soort diensten - of hun klanten als ze de gegevens doorverkopen - kunnen zo enorme hoeveelheden data ontginnen. Ze doen aan ‘data mining’. Ze laten analyses los op onze gegevens en vertalen die naar waardevolle informatie: ‘Uw doelgroep shopt graag in de Dorpsstraat.’ Informatie waarvoor de winkelier van harte betaalt.

Proefkonijn
Als jij niet hoeft te betalen, ben je waarschijnlijk zelf het product. Dat geldt zeker voor Facebook, dat zo’n beetje alles gebruikt wat je online deelt. En dat de reputatie heeft dat nogal eens te doen zonder het je van tevoren te vertellen. Zo kan het zomaar gebeuren dat je ongemerkt proefkonijn mag spelen voor onderzoek naar het menselijke gedrag. Als je een update schrijft, welke tekst haal je dan weg, voordat je het uiteindelijke bericht plaatst?

De gegevens van enkele individuen zijn niet zoveel waard voor (markt)onderzoek. Daar kunnen de klanten van Facebook geen strategie op baseren. Data mining werkt alleen als er sprake is van massa, bij voorkeur vele miljoenen individuen. Op basis van hun data kunnen de ‘miners’ trends bespeuren en doelgroepen afbakenen. En dan wordt het ook financieel interessant: internetjournalist Clive Thompson schat de waarde van een gemiddelde Facebook-gebruiker op vijf dollar per jaar.

‘Freemium’
Veel internetdiensten hanteren het ‘freemium’-principe. Gebruikers worden gelokt met gratis basisfunctionaliteiten. Willen ze meer, dan moet er betaald worden. Zo biedt Dropbox je gratis twee gigabyte opslagruimte in ‘the cloud’. Trek je portemonnee maar als je meer opslag nodig hebt.
Bij Duolingo kun je gratis een vreemde taal leren. Wil je ook examen doen, dan betaal je. Meer hierover in een eerdere publicatie op Blendle.
Veel online diensten die op basis van abonnementen werken, bieden de mogelijkheid om eerst een periode rond te snuffelen en uit te proberen. Zo biedt het project management platform Basecamp een 60 dagen ‘free trial’. Daarna ga je vanaf $ 20 per maand betalen.
WhatsApp was lange tijd gratis. Tot de dienst zoveel gebruikers had die niet meer zonder dit lijntje met collega’s, vrienden en familie konden, dat het interessant werd ze een kleine bijdrage te vragen van € 0,88 per jaar.

Losgeld
Om je te prikkelen sneller de stap te maken naar betaald gebruik, kan een gratis dienst je danig irriteren. De gratis editie van Spotify doet dat met reclames tussen de muziek. Weebly, waarmee je gratis een website kunt bouwen, vraagt je iedere keer als je wijzigingen op wilt slaan eerst of je een domeinnaam wilt kopen. Betaal het losgeld en ze vallen je niet meer lastig.

Werken voor de kostLuis von Ahn is de bedenker van het eerder genoemde Duolingo. Zijn stokpaardje is een verdienmodel, waarbij de klant werk voor je verricht, zonder dat het als werken voelt. De taalcursussen van Duolingo zijn gratis. Om te oefenen krijgen cursisten zinnen ter vertaling aangeboden. De teksten komen van organisaties die hun zinnen vertaald willen hebben en daar graag wat voor willen betalen. Neem een zin, laat die door – zeg – duizend gevorderde cursisten vertalen en laat een algoritme los op de resultaten. Aan het eind komt daar een optimale vertaling uit. De betreffende organisatie blij, de cursist blij, de mensen van Duolingo blij.

Von Ahn flikte het kunstje om eindgebruikers aan het werk te zetten eerder met reCAPTCHA. Je kent het vast: als je ergens een account aanmaakt, krijg je een afbeelding te zien met moeilijk leesbare tekens. Om te bewijzen dat je een mens bent en geen machine die automatisch allerlei accounts aanmaakt, moet je intikken wat je ziet. Von Ahn bedacht dat het zonde was om gebruikers zomaar een puzzeltje voor te schotelen. Hij liet stukjes zien uit teksten die computers niet konden lezen en koppelde de resultaten terug. Zo hielpen gebruikers onbewust mee aan het digitaliseren van papieren boeken en het herkennen van huisnummers op foto's van gebouwen.

‘Showcase’
De jonge, startende ondernemers Bas Schleijpen en Joris van Rijn brachten Quiz Maker op de markt, een gratis app en webdienst waarmee je online kwissen kunt maken en spelen. Dit product is een ‘showcase’ waarmee ze laten zien wat ze allemaal kunnen op het gebied van programmeren en ontwerp. Ze maken iets dat gratis is, en zo handig of leuk dat het veel gebruikers trekt, die vervolgens anderen weer enthousiast maken. Het idee: zo kom je vast ook op het netvlies van potentiële opdrachtgevers die willen betalen voor een product op maat. De enthousiaste eindgebruiker functioneert als levende reclamezuil of als toekomstige klant.

Betaald door goede wilWikipedia is ónze gratis encyclopedie. We gebruiken en onderhouden hem samen. Gratis diensten als Wikipedia leunen op werk van gemotiveerde vrijwilligers die al doende willen leren, een bijdrage willen leveren of hun boodschap willen delen met de wereld. Voor de eindgebruiker geldt: ‘no strings attached’. Hooguit wordt gevraagd een steentje bij te dragen door foutjes te melden of mee te bouwen of door een vrijwillige bijdrage te doen. En kritisch te blijven lezen. Want het systeem mag dan zelfcorrigerend zijn door de inzet van vrijwillige redacteuren, er kan zomaar een gekleurde boodschap doorheen glippen.

Straks cashen
Er zijn natuurlijk ook gratis diensten die simpelweg betaald worden door organisaties of overheden. Denk aan gratis online programmeercursussen, betaald door de branche om jonge mensen enthousiast te maken voor het vak. Een investering in de toekomst van de bedrijfstak.
En dan is er nog een categorie van gratis diensten die betaald worden, enkel door de belofte van het grote geld. WhatsApp en Twitter zijn waarschijnlijk ooit zo begonnen. De makers bedenken een briljante toepassing en laten zich betalen door investeerders die er de potentie in zien van ‘straks cashen’. Of ze investeren zelf in de hoop dat hun ‘startup’ in de nabije toekomst opgekocht wordt door een groot bedrijf.

Waarom gratis?
Er zijn dus nogal wat manieren waarop gratis diensten de schoorsteen laten roken. Als eindgebruiker word je daarbij telkens in een andere rol gezet. Weten waarom je die lunch gratis krijgt aangeboden is dan ook belangrijk. Alleen dan kun je bewust kiezen of je een dienst gebruikt… maar vooral ook hoe. Wat deel je bijvoorbeeld wel en niet op Facebook, als je weet dat het bedrijf alles wat je op je tijdlijn plaatst mag gebruiken, bijvoorbeeld in haar advertenties?

Gezond verstand en een zoekmachine kunnen je veel vertellen over waarom een dienst gratis is. Google bijvoorbeeld eens de vraag ‘How does *naam van de internetdienst* make money?’ Zo vinden we dat Twitter vooral verdient aan advertenties, geplaatst in de tijdlijn van de gebruiker. Maar ook dat ze data van gebruikers analyseren, bijvoorbeeld om het ‘sentiment’ rond een merk te meten. Staan er vooral positieve, of eerder negatieve woorden in tweets waarin ook een merknaam wordt genoemd? En wat is het effect van een marketingcampagne hierop?

Laten we in elk geval onze kinderen, in de opvoeding thuis en in lessen mediawijsheid op school, deze raad meegeven: vraag altijd hoe het kan, voordat je ervan profiteert.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen