Afgelopen maanden heb ik als eindredacteur voor APS aan het jaarmagazine Villa Onderwijs gewerkt. In de uitgave van 2012 staan de grote uitdagingen centraal waar professionals in het onderwijs voor staan. APS biedt het blad integraal aan via ISSUU...
Alles kan altijd beter
Weblog van kennisondernemer Erno Mijland
26 januari 2012
25 januari 2012
Petje op, petje af
![]() |
| Credits: CC-BY BFS Man |
Het is een klassieker in trainingen en workshops: het spelletje 'Petje op, petje af'. Eerst gaan alle deelnemers staan. Vervolgens start een kwis met een afvalsysteem. Telkens wordt er een tweekeuzevraag gesteld. Deelnemers laten zien welk antwoord zij kiezen door voor de ene optie een petje op te zetten en bij de andere optie de pet af te houden.
Wie het foute antwoord heeft gekozen is af en gaat zitten. Wie het antwoord goed heeft mag naar de volgende ronde. Bij de laatste vraag moet er één winnaar overblijven. Dat kun je bijvoorbeeld doen door deelnemers een getal te laten noemen dat zo dicht mogelijk bij het juiste antwoord op je vraag komt.
Afgelopen week zette ik zelf zo'n kwis in elkaar. Dat bleek nog best lastig. Is je eerste vraag te moeilijk, dan ben je meteen zowat al je deelnemers kwijt, zijn je vragen te gemakkelijk, dan houd je aan het eind teveel deelnemers over. Je moet dus goed het kennisniveau van je deelnemers in kunnen schatten.
Dat laatste vind ik een interessante in het kader van onderwijs. Door leerlingen een dergelijke kwis te laten maken, bijvoorbeeld om uit te voeren aan het begin van een presentatie of spreekbeurt, moeten ze zich goed verdiepen in hun doelgroep. En dat is een belangrijke vaardigheid in veel situaties in het dagelijkse leven en werken. Breng eventueel een wedstrijdelement in: wie maakt de slimste 'Petje op, petje af'-kwis? Slim betekent in dit geval: bij wie vielen het meest geleidelijk deelnemers af en bleven er op het eind genoeg over voor een spannende schiftingsvraag?
15 januari 2012
‘Onderwijs begint met verbondenheid’
Het gaat goed én slecht met onze jongeren. Met een zwarte bril zien we jeugdcriminaliteit, schooluitval en agressie in de openbare ruimte, met een roze bril de rijkdom in het westen, de mogelijkheden die het internet biedt en een duizelingwekkende vooruitgang in de wetenschap. Hoe ziet goed onderwijs eruit in die context?
Rond die vraag had ik medio 2010 een gesprek met Marcel van Herpen (1967), projectleider van het expertisecentrum voor Duurzaam Opvoeden en Ontwikkelen en van het expertisecentrum voor ErvaringsGericht Onderwijs Nederland. Van Herpen is medeoprichter van de op het gedachtegoed van ervaringsgericht onderwijs gebaseerde basisschool Uilenspiegel in Boekel en van het NIVOZ. Daarnaast is hij auteur van ErvaringsGericht Onderwijs; van oriëntatie tot implementatie en Duurzaam opvoeden en ontwikkelen.
Onderstaand interview verscheen in 2010 in tijdschrift COS. Omdat Marcel van Herpen morgen keynote spreker is op het onderwijssymposium Als normaal anders is Alkmaar, heb ik het nog eens uit mijn archief gehaald.
‘Ik ben geen pessimist, ook geen uitgesproken optimist. Ik geloof wel in de kracht van constructief aan de slag gaan met de werkelijkheid zoals die op ons pad komt’, vertelt Van Herpen over het gedachtengoed van duurzaam opvoeden en ontwikkelen. Zijn boek over dit thema is een snoepwinkel van ideeën, citaten, dialogen, analyses, visies en kennismakingen met het werk van hedendaagse denkers. Van Herpen is een ambassadeur van het ervaringsgerichte onderwijs. ‘Je leert van rijke ervaringen en de reflectie daarop.’ De ervaringen van de auteur in en met het onderwijs zijn dan ook een vertrekpunt voor zijn gedachten en visie. ‘Ik loop een keer met een directeur door de gang van zijn school. Er ligt een jas op de grond. Hij zegt dat kinderen tegenwoordig nergens meer respect voor hebben en schopt de jas aan de kant. Ik reageer verbaasd en hij erkent meteen dat hij inderdaad eigenlijk zo niet met de spullen van de leerlingen om zou moeten gaam. Hoe kun je van kinderen verwachten dat zij zich verantwoordelijk gaan gedragen als zelf niet het goede voorbeeld geeft? In het onderwijs handel je naar de waarden die je bij je leerlingen terug wilt zien. Je doet dat zodanig dat leerlingen jouw manier van doen zien als het goede. Noem het voorleven.’
Je boek is een pleidooi voor duurzaamheid. Doen scholen nog niet genoeg aan het milieu en de derde wereld?
‘Duurzaamheid gaat verder dan dat. Het is in zekere zin een containerbegrip, maar het biedt wel een zinvol kader om te kijken naar onderwijs. Duurzaamheid is voor mij het tegenovergestelde van ontkoppeling: van mensen onderling, van mensen en hun toekomst of van hun omgeving. Ontkoppeling is funest. Een leerling die ontkoppeld raakt op school, zal destructief gedrag gaan vertonen. Dat zit ook in iets als het geven van een onvoldoende: je zegt ermee dat de leerling niet voldoet. Je zou dan ook geen onvoldoendes moeten geven. Als mensen ontkoppeld raken van hun eigen toekomst leidt dat tot wat Al Gore een unconvenient truth noemt. Het gaat dus om verbondenheid. Wat is een tak nog als die niet meer vast zit aan een boom? Op school is de verbondenheid van een leraar met een leerling, van leerlingen onderling ook, essentieel. Als je je niet verbonden voelt met je school, waarom zou je er dan je best willen doen en beter willen worden?’
Wat hebben we aan een visie op duurzaam onderwijs? Van Iederwijs tot BON, er zijn al zoveel ideeën hoe het beter kan.
‘Ik heb het gevoel dat we niets opschieten met discussies zoals die over het nieuwe leren versus het oude leren. De polemiek is van een te lage orde, gaat alleen over het hoe en verzandt steeds in gestandaardiseerde onderwijsmodellen en -concepten. Die zijn niet het antwoord. Als je een niveau hoger kijkt, zie je ineens dat we uiteindelijk allemaal hetzelfde willen: ervoor zorgen dat onze kinderen opgroeien tot vrije én verantwoordelijke deelnemers aan de samenleving. Dan gaat het ineens niet meer over gelijk krijgen of over politiek. Ik ben vooral op zoek naar de gemeenschappelijke waarden, naar de kern, en geef dan ook bewust geen recepten of kant-en-klare schema’s of modellen voor onderwijs. Ik beschrijf het wat en waarom, maar schrijf het hoe niet voor.’
Ervaring is een belangrijk thema in je boek.
‘Er is een tendens om steeds vroeger met formeel leren te beginnen, terwijl de basis - ervaring - er bij het kind nog niet is. De prestatiemaatschappij verlangt snel resultaat en lijkt niet geïnteresseerd in het fundament dat er onder ligt. Dat stoort me. Er is volop wetenschappelijk bewijs dat ervaring essentieel is voor leren. Een voorbeeld? Wist je dat succesvolle ingenieurs opvallend vaak boerenzonen zijn. Waarom? Ze hebben vroeger met de materie gespeeld, waarmee ze nu construeren: zand, klei, stenen. Of neem de toename van het aantal geschaarde vrachtwagens. Een verklaring: het toegenomen comfort van de stoel en de cabine ontkoppelt de chauffeur van de fysieke ervaring. Terug naar het onderwijs: een van de grootste pedagogische drama’s van deze tijd is dat kinderen steeds minder fysieke ervaringen opdoen in natuurlijke omgevingen. Als ze al ervaringen opdoen, mogen die niet mislukken. Speeltoestellen zijn hufterproef, er is alleen een boswandeling in de herfst.’
Het internet, de virtuele wereld is een steeds belangrijkere factor in de wereld van jongeren... en bij uitstek weinig fysiek.
‘Dat is waar. Wie veel achter de computer zit, heeft minder tijd over voor het opdoen van fysieke ervaringen en beweegt ook minder. Maar het internet biedt ook volop mogelijkheden die je aan zou moeten grijpen. De netwerkachtige manier van informatie doorzoeken en ordenen, de prominente rol van het beeld... het sluit heel erg goed aan op de manier waarop onze hersenen leren en zich ontwikkelen, vaak beter dan wat het traditionele boek ons biedt. Internet geeft ook gereedschappen voor zelfstandig werken, ordenen en plannen. Het heeft dus voor- en nadelen, de kunst is om er op een constructieve manier mee om te gaan. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen, zoals het feit dat de fysieke en de virtuele wereld steeds meer in elkaar vloeien.’
Je hebt het ook over autonomie, een begrip dat veel mensen in het onderwijs associëren met het laten zwemmen van leerlingen.
‘Autonomie betekent niet dat je als leerling de baas bent en alles maar zelf mag bepalen. Het betekent wel dat je de verantwoordelijkheid krijgt om te laten zien wat je kunt. De rol van de leraar is daarbij heel belangrijk. Je moet leerlingen helpen als ze niet verder komen, als iets niet lukt, je moet ze troosten als ze verdriet hebben. Door ze daarna zo snel mogelijk op hun eigen kracht te wijzen, maak je ze niet afhankelijk van je hulp. Het gaat erom uitdagende vragen te stellen, die kinderen op hun tenen laten lopen, maar ze ook de mogelijkheid bieden een succeservaring te ervaren en waardering te oogsten. Als ouders doen we dat als vanzelfsprekend. We weten precies wanneer we de zijwieltjes van de fiets kunnen halen, laten het kind vervolgens zelf proberen of het lukt. We geven vertrouwen - “Je kunt het!” - en steken pas een helpende hand toe als het kind aangeeft dat het echt niet gaat lukken. Zo werkt het ook in de klas. Als leerlingen zich gewaardeerd voelen en jouw vertrouwen ervaren leren ze. En... is er geen ordeprobleem.’
Je wilt liever geen modellen geven. Kun je wel vertellen hoe de ideale, duurzame school eruit ziet?
‘Die school creëert rijke omgevingen en biedt ruimte voor experimenteren, eigen initiatief. Er wordt een beroep gedaan op verschillende vormen van intelligentie. Fouten worden er beschouwd als onderdeel van het leerproces. Er worden veel ervaringen aangeboden vanuit de werkelijkheid, ook de eigen werkelijkheid van het kind. Leerlingen gaan bijvoorbeeld een dagdeel per week werken op een boerderij, maken kennis met de beroepen van de ouders. Ze gaan naar een verzorgingshuis, waar ze kennis maken met het echte leven, ook met de moeilijkere dingen, zoals de confrontatie met patiënten. Ze leren hoe je vrienden maakt en relaties onderhoudt, dingen die er echt toe doen. En er worden geen etiketjes geplakt. Een leerling is niet een set gedragskenmerken, maar een uniek individu met unieke talenten. Op een ideale school kun je die laten zien en ze verder ontwikkelen.’
Meer informatie over Marcel van Herpen vind je op zijn website.
Rond die vraag had ik medio 2010 een gesprek met Marcel van Herpen (1967), projectleider van het expertisecentrum voor Duurzaam Opvoeden en Ontwikkelen en van het expertisecentrum voor ErvaringsGericht Onderwijs Nederland. Van Herpen is medeoprichter van de op het gedachtegoed van ervaringsgericht onderwijs gebaseerde basisschool Uilenspiegel in Boekel en van het NIVOZ. Daarnaast is hij auteur van ErvaringsGericht Onderwijs; van oriëntatie tot implementatie en Duurzaam opvoeden en ontwikkelen.
Onderstaand interview verscheen in 2010 in tijdschrift COS. Omdat Marcel van Herpen morgen keynote spreker is op het onderwijssymposium Als normaal anders is Alkmaar, heb ik het nog eens uit mijn archief gehaald.
‘Ik ben geen pessimist, ook geen uitgesproken optimist. Ik geloof wel in de kracht van constructief aan de slag gaan met de werkelijkheid zoals die op ons pad komt’, vertelt Van Herpen over het gedachtengoed van duurzaam opvoeden en ontwikkelen. Zijn boek over dit thema is een snoepwinkel van ideeën, citaten, dialogen, analyses, visies en kennismakingen met het werk van hedendaagse denkers. Van Herpen is een ambassadeur van het ervaringsgerichte onderwijs. ‘Je leert van rijke ervaringen en de reflectie daarop.’ De ervaringen van de auteur in en met het onderwijs zijn dan ook een vertrekpunt voor zijn gedachten en visie. ‘Ik loop een keer met een directeur door de gang van zijn school. Er ligt een jas op de grond. Hij zegt dat kinderen tegenwoordig nergens meer respect voor hebben en schopt de jas aan de kant. Ik reageer verbaasd en hij erkent meteen dat hij inderdaad eigenlijk zo niet met de spullen van de leerlingen om zou moeten gaam. Hoe kun je van kinderen verwachten dat zij zich verantwoordelijk gaan gedragen als zelf niet het goede voorbeeld geeft? In het onderwijs handel je naar de waarden die je bij je leerlingen terug wilt zien. Je doet dat zodanig dat leerlingen jouw manier van doen zien als het goede. Noem het voorleven.’
Je boek is een pleidooi voor duurzaamheid. Doen scholen nog niet genoeg aan het milieu en de derde wereld?
‘Duurzaamheid gaat verder dan dat. Het is in zekere zin een containerbegrip, maar het biedt wel een zinvol kader om te kijken naar onderwijs. Duurzaamheid is voor mij het tegenovergestelde van ontkoppeling: van mensen onderling, van mensen en hun toekomst of van hun omgeving. Ontkoppeling is funest. Een leerling die ontkoppeld raakt op school, zal destructief gedrag gaan vertonen. Dat zit ook in iets als het geven van een onvoldoende: je zegt ermee dat de leerling niet voldoet. Je zou dan ook geen onvoldoendes moeten geven. Als mensen ontkoppeld raken van hun eigen toekomst leidt dat tot wat Al Gore een unconvenient truth noemt. Het gaat dus om verbondenheid. Wat is een tak nog als die niet meer vast zit aan een boom? Op school is de verbondenheid van een leraar met een leerling, van leerlingen onderling ook, essentieel. Als je je niet verbonden voelt met je school, waarom zou je er dan je best willen doen en beter willen worden?’
Wat hebben we aan een visie op duurzaam onderwijs? Van Iederwijs tot BON, er zijn al zoveel ideeën hoe het beter kan.
‘Ik heb het gevoel dat we niets opschieten met discussies zoals die over het nieuwe leren versus het oude leren. De polemiek is van een te lage orde, gaat alleen over het hoe en verzandt steeds in gestandaardiseerde onderwijsmodellen en -concepten. Die zijn niet het antwoord. Als je een niveau hoger kijkt, zie je ineens dat we uiteindelijk allemaal hetzelfde willen: ervoor zorgen dat onze kinderen opgroeien tot vrije én verantwoordelijke deelnemers aan de samenleving. Dan gaat het ineens niet meer over gelijk krijgen of over politiek. Ik ben vooral op zoek naar de gemeenschappelijke waarden, naar de kern, en geef dan ook bewust geen recepten of kant-en-klare schema’s of modellen voor onderwijs. Ik beschrijf het wat en waarom, maar schrijf het hoe niet voor.’
Ervaring is een belangrijk thema in je boek.
‘Er is een tendens om steeds vroeger met formeel leren te beginnen, terwijl de basis - ervaring - er bij het kind nog niet is. De prestatiemaatschappij verlangt snel resultaat en lijkt niet geïnteresseerd in het fundament dat er onder ligt. Dat stoort me. Er is volop wetenschappelijk bewijs dat ervaring essentieel is voor leren. Een voorbeeld? Wist je dat succesvolle ingenieurs opvallend vaak boerenzonen zijn. Waarom? Ze hebben vroeger met de materie gespeeld, waarmee ze nu construeren: zand, klei, stenen. Of neem de toename van het aantal geschaarde vrachtwagens. Een verklaring: het toegenomen comfort van de stoel en de cabine ontkoppelt de chauffeur van de fysieke ervaring. Terug naar het onderwijs: een van de grootste pedagogische drama’s van deze tijd is dat kinderen steeds minder fysieke ervaringen opdoen in natuurlijke omgevingen. Als ze al ervaringen opdoen, mogen die niet mislukken. Speeltoestellen zijn hufterproef, er is alleen een boswandeling in de herfst.’
Het internet, de virtuele wereld is een steeds belangrijkere factor in de wereld van jongeren... en bij uitstek weinig fysiek.
‘Dat is waar. Wie veel achter de computer zit, heeft minder tijd over voor het opdoen van fysieke ervaringen en beweegt ook minder. Maar het internet biedt ook volop mogelijkheden die je aan zou moeten grijpen. De netwerkachtige manier van informatie doorzoeken en ordenen, de prominente rol van het beeld... het sluit heel erg goed aan op de manier waarop onze hersenen leren en zich ontwikkelen, vaak beter dan wat het traditionele boek ons biedt. Internet geeft ook gereedschappen voor zelfstandig werken, ordenen en plannen. Het heeft dus voor- en nadelen, de kunst is om er op een constructieve manier mee om te gaan. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen, zoals het feit dat de fysieke en de virtuele wereld steeds meer in elkaar vloeien.’
Je hebt het ook over autonomie, een begrip dat veel mensen in het onderwijs associëren met het laten zwemmen van leerlingen.
‘Autonomie betekent niet dat je als leerling de baas bent en alles maar zelf mag bepalen. Het betekent wel dat je de verantwoordelijkheid krijgt om te laten zien wat je kunt. De rol van de leraar is daarbij heel belangrijk. Je moet leerlingen helpen als ze niet verder komen, als iets niet lukt, je moet ze troosten als ze verdriet hebben. Door ze daarna zo snel mogelijk op hun eigen kracht te wijzen, maak je ze niet afhankelijk van je hulp. Het gaat erom uitdagende vragen te stellen, die kinderen op hun tenen laten lopen, maar ze ook de mogelijkheid bieden een succeservaring te ervaren en waardering te oogsten. Als ouders doen we dat als vanzelfsprekend. We weten precies wanneer we de zijwieltjes van de fiets kunnen halen, laten het kind vervolgens zelf proberen of het lukt. We geven vertrouwen - “Je kunt het!” - en steken pas een helpende hand toe als het kind aangeeft dat het echt niet gaat lukken. Zo werkt het ook in de klas. Als leerlingen zich gewaardeerd voelen en jouw vertrouwen ervaren leren ze. En... is er geen ordeprobleem.’
Je wilt liever geen modellen geven. Kun je wel vertellen hoe de ideale, duurzame school eruit ziet?
‘Die school creëert rijke omgevingen en biedt ruimte voor experimenteren, eigen initiatief. Er wordt een beroep gedaan op verschillende vormen van intelligentie. Fouten worden er beschouwd als onderdeel van het leerproces. Er worden veel ervaringen aangeboden vanuit de werkelijkheid, ook de eigen werkelijkheid van het kind. Leerlingen gaan bijvoorbeeld een dagdeel per week werken op een boerderij, maken kennis met de beroepen van de ouders. Ze gaan naar een verzorgingshuis, waar ze kennis maken met het echte leven, ook met de moeilijkere dingen, zoals de confrontatie met patiënten. Ze leren hoe je vrienden maakt en relaties onderhoudt, dingen die er echt toe doen. En er worden geen etiketjes geplakt. Een leerling is niet een set gedragskenmerken, maar een uniek individu met unieke talenten. Op een ideale school kun je die laten zien en ze verder ontwikkelen.’
Meer informatie over Marcel van Herpen vind je op zijn website.
13 januari 2012
Data-tsunami biedt nieuwe mogelijkheden voor de wetenschap
Traditioneel wetenschappelijk onderzoek begint met een vraag van een onderzoeker, gevolgd door het bedenken van een thesis en een methode om die te toetsen. Wat later begint daarmee het verzamelen van data en vervolgens het interpreteren daarvan. Wetenschappers maken ook meta-analyses: gegevens van eerder onderzoek worden bij elkaar gebracht en opnieuw geanalyseerd. Dat kan leiden tot nieuwe inzichten.
Volgens mij gaan we steeds meer naar een tweede poot in wetenschappelijk onderzoek. Die begint niet bij een vraag, maar bij de data. We zijn in de hedendaagse wereld bezig met het ontwikkelen van een data-tsunami. Er wordt van alles vastgelegd, soms vanuit de behoefte iets te meten, maar steeds vaker ook simpelweg omdat het kan. Denk aan koopgedrag in de supermarkt, al onze activiteiten op het internet, gegevens over gezondheid, bewegingen in alle vormen van vervoer...
Bij de tweede poot van wetenschappelijk onderzoek begint het niet met een vraag, maar met die ruwe data. Creatieve onderzoekers zullen invalshoeken bedenken om uit die data betekenisvolle informatie te halen. Ze bedenken dus de relevante vraag bij de data die zelf relatief betekenisloos is. In de wereld van de vormgeving en de kunst zie je hier al mooie voorbeelden van onder de noemer datavisualisatie.
Volgens mij hebben we drie dingen nodig om relevante resultaten te krijgen uit deze tweede poot van wetenschappelijk onderzoek:
Volgens mij gaan we steeds meer naar een tweede poot in wetenschappelijk onderzoek. Die begint niet bij een vraag, maar bij de data. We zijn in de hedendaagse wereld bezig met het ontwikkelen van een data-tsunami. Er wordt van alles vastgelegd, soms vanuit de behoefte iets te meten, maar steeds vaker ook simpelweg omdat het kan. Denk aan koopgedrag in de supermarkt, al onze activiteiten op het internet, gegevens over gezondheid, bewegingen in alle vormen van vervoer...
Bij de tweede poot van wetenschappelijk onderzoek begint het niet met een vraag, maar met die ruwe data. Creatieve onderzoekers zullen invalshoeken bedenken om uit die data betekenisvolle informatie te halen. Ze bedenken dus de relevante vraag bij de data die zelf relatief betekenisloos is. In de wereld van de vormgeving en de kunst zie je hier al mooie voorbeelden van onder de noemer datavisualisatie.
Volgens mij hebben we drie dingen nodig om relevante resultaten te krijgen uit deze tweede poot van wetenschappelijk onderzoek:
- het beschikbaar maken van (grote) databestanden ten behoeve van onderzoek;
- inventieve wetenschappers die ook andersom kunnen denken;
- ict'ers die de achteraf bedachte vraag bij de data kunnen vertalen in software, waarmee op een betrouwbare manier informatie gehaald kan worden uit die data.
Bekijk in dit kader eens de TED-talk van Hans Rosling uit 2007 over armoede in de wereld. Voor deze talk is Nederlandse ondertiteling beschikbaar.
11 januari 2012
Hemelbestormers!
Het is de tijd van de goede voornemens, dus wat doe je dan als redacteur van een radioprogramma: je googlet even op 'goede voornemens' en je komt bij de eerste tien hits een item '10 tips voor succesvolle goede voornemens'. Die auteur, dat is vast een expert, denk je en je nodigt hem uit om mee te werken aan een programma-onderdeel.
Het radioprogramma heet Hemelbestormers, de auteur van het stukje ben ik. Het stukje komt uit 2006. Een expert in de traditionele zin van het woord (wetenschapper of psycholoog) ben ik niet als het om dit specifieke onderwerp gaat, hooguit een ervaringsdeskundige en autodidact op het gebied van gedragsverandering, onder andere waar het gaat om mediagebruik. Dat vond de redactie eigenlijk wel aardig, dus de uitnodiging om naar Hilversum te komen was een feit.
Afgelopen zondag was de uitzending. Leuk om te doen: wat vertellen, bellers te woord staan met hun vragen over goede voornemens en weer eens een keer rondlopen in een radiostudio. De uitzending zelf is hier terug te luisteren.
Het radioprogramma heet Hemelbestormers, de auteur van het stukje ben ik. Het stukje komt uit 2006. Een expert in de traditionele zin van het woord (wetenschapper of psycholoog) ben ik niet als het om dit specifieke onderwerp gaat, hooguit een ervaringsdeskundige en autodidact op het gebied van gedragsverandering, onder andere waar het gaat om mediagebruik. Dat vond de redactie eigenlijk wel aardig, dus de uitnodiging om naar Hilversum te komen was een feit.
Afgelopen zondag was de uitzending. Leuk om te doen: wat vertellen, bellers te woord staan met hun vragen over goede voornemens en weer eens een keer rondlopen in een radiostudio. De uitzending zelf is hier terug te luisteren.
09 januari 2012
Inspiratiedag Digitale Media en School
Op donderdag 22 maart 2012 organiseert Social Media Club Tilburg in samenwerking met adviseur onderwijs en digitale media Erno Mijland voor iedereen die bij het onderwijs in Tilburg en omgeving is betrokken de Inspiratiedag Digitale Media en School. De dag wordt georganiseerd in het gebouw van de Bibliotheek Midden-Brabant op het Koningsplein in Tilburg en duurt van 16.00 tot 20.00 uur.
Op de inspiratiedag willen we de wijsheid en vaardigheden van leraren, leerlingen en deskundigen op het gebied van digitale media bij elkaar brengen in presentaties, workshops, dialogen en inspirerende activiteiten. De thematiek van de dag wordt uitgewerkt in vier programmalijnen:
De inspiratiedag wordt georganiseerd op basis van co-creatie: degenen die bijdragen aan de dag en degenen die als deelnemer aanwezig zijn zullen gezamenlijk waarde creëren in de vorm van nieuwe, waardevolle kennis en ervaring. Sprekers ontvangen geen vergoeding en betrokken organisaties ondersteunen met faciliteiten, waardoor deelname aan de dag gratis kan zijn.
Via dit formulier kunt u alvast aangeven of u belangstelling hebt om erbij te zijn. Als u uw gegevens achterlaat ontvangt u binnen enkele weken een uitnodiging om u in te schrijven. U kunt op het formulier ook aangeven of u een bijdrage aan de dag wilt leveren. Binnenkort volgt meer informatie over de locatie, het programma en de opzet van de dag.
Op de inspiratiedag willen we de wijsheid en vaardigheden van leraren, leerlingen en deskundigen op het gebied van digitale media bij elkaar brengen in presentaties, workshops, dialogen en inspirerende activiteiten. De thematiek van de dag wordt uitgewerkt in vier programmalijnen:
- Mediawijs: hoe ga je verstandig en gezond om met digitale media?
- Digislim: hoe maak je slim en handig gebruik van digitale media in het kader van leren?
- Sociale media: hoe kun je sociale media een relevante plek geven in je onderwijs?
- Samenleving 3.0: wat verandert er in de samenleving o.a. door de opkomst van digitale media en hoe moeten we daar in het onderwijs op inspelen?
De inspiratiedag wordt georganiseerd op basis van co-creatie: degenen die bijdragen aan de dag en degenen die als deelnemer aanwezig zijn zullen gezamenlijk waarde creëren in de vorm van nieuwe, waardevolle kennis en ervaring. Sprekers ontvangen geen vergoeding en betrokken organisaties ondersteunen met faciliteiten, waardoor deelname aan de dag gratis kan zijn.
Via dit formulier kunt u alvast aangeven of u belangstelling hebt om erbij te zijn. Als u uw gegevens achterlaat ontvangt u binnen enkele weken een uitnodiging om u in te schrijven. U kunt op het formulier ook aangeven of u een bijdrage aan de dag wilt leveren. Binnenkort volgt meer informatie over de locatie, het programma en de opzet van de dag.
07 januari 2012
Het verhaal van de visser en de zakenman
Een meer, de zon en wat groen begroeide bergen op de achtergrond. Een man is aan het vissen. Op de weg nadert een grote luxe wagen. De auto stopt en er stapt een goed geklede zakenman uit. Hij kijkt naar de visser, stapt op hem af en knoopt een gesprekje aan.
De zakenman: 'Waarom gebruik je maar één hengel? Je kunt toch veel meer vangen als je er twee of drie gebruikt.'
De visser: 'En dan? Ik heb een klein gezin. Aan een paar vissen per dag hebben we genoeg.'
De zakenman: 'Maar als je meer vangt, kun je de overgebleven vis verkopen, toch?'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Dan verdien je geld.'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Dan kun je na verloop van tijd een vissersboot kopen, op het meer gaan en nog meer vis vangen.'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Van de verkoop van de vis kun je een knecht inhuren. Dan hoef je niet meer zelf te vissen. Ik zie het helemaal voor me: je wordt steenrijk!'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Als je eenmaal steenrijk bent, kun je doen wat je maar wilt. Je kunt je alles veroorloven. Stel het je maar eens voor. Vertel, wat zou je willen doen als je je geen zorgen meer hoeft te maken over geld?'
De visser: 'Mmm, weet je wat ik het liefste doe?'
De zakenman: 'Waarom gebruik je maar één hengel? Je kunt toch veel meer vangen als je er twee of drie gebruikt.'
De visser: 'En dan? Ik heb een klein gezin. Aan een paar vissen per dag hebben we genoeg.'
De zakenman: 'Maar als je meer vangt, kun je de overgebleven vis verkopen, toch?'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Dan verdien je geld.'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Dan kun je na verloop van tijd een vissersboot kopen, op het meer gaan en nog meer vis vangen.'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Van de verkoop van de vis kun je een knecht inhuren. Dan hoef je niet meer zelf te vissen. Ik zie het helemaal voor me: je wordt steenrijk!'
De visser: 'En dan?'
De zakenman: 'Als je eenmaal steenrijk bent, kun je doen wat je maar wilt. Je kunt je alles veroorloven. Stel het je maar eens voor. Vertel, wat zou je willen doen als je je geen zorgen meer hoeft te maken over geld?'
De visser: 'Mmm, weet je wat ik het liefste doe?'
De zakenman: 'Nou?'
De visser: 'Ik vind het heerlijk om hier lekker aan het water te zitten, te staren naar mijn dobber, te genieten van de rust en het uitzicht, de natuur om me heen, wat vis vangen en 's avonds mijn zelf gevangen vis klaar te maken voor mijn gezin.'
(Variant op een verhaal dat in vele vormen voorkomt op het internet, naar aanleiding van blog van Henk-Jan Winkeldermaat. Foto: iStockphoto.com)
03 januari 2012
Nieuwe business modellen voor journalistiek werk...
Ik koop af en toe een boek. Ik heb geen krantenabonnement en ook alle tijdschriftenabonnementen zijn de deur uit. Ik luister gratis podcasts, onder andere van de Australische ABC. Ik bekijk de gratis beschikbare lezingen op TED.com. Voor het nieuws luister ik vooral naar BNR, waarvan ik me als vriend heb aangemeld voor tien euro, maar dat het verder vooral moet hebben van reclame-inkomsten. Ik betaal een tientje per maand aan Spotify voor toegang tot een enorme databank aan muziek. Ik ben een 21e eeuwse informatieconsument.
Ik schrijf af en toe een boek en regelmatig artikelen voor tijdschriften. Soms staan daar goede inkomsten tegenover, maar steeds meer uitgevers beknibbelen toch op de vergoedingen omdat hun product anders niet meer te betalen is. Dan maak en verspreid ik een gratis pdf die meer dan 10.000 keer gedownload wordt. Ook deze blog is gratis toegankelijk. Ondertussen ben ik mijn eigen uitgeverij begonnen. Ik ben een 21e eeuwse informatieproducent.
Het is een even boeiende als verwarrende periode met grote uitdagingen voor informatieproducenten en moeilijke keuzes voor informatieconsumenten. Pay-per-view, abonnementen, waardebepaling achteraf... business modellen genoeg, maar wat werkt echt in welke situatie? In 2012 blijft deze vraag hoog op mijn agenda staan...
Zie ook: 'Survival of the fittest content makers', een blog uit 2008.
Ik schrijf af en toe een boek en regelmatig artikelen voor tijdschriften. Soms staan daar goede inkomsten tegenover, maar steeds meer uitgevers beknibbelen toch op de vergoedingen omdat hun product anders niet meer te betalen is. Dan maak en verspreid ik een gratis pdf die meer dan 10.000 keer gedownload wordt. Ook deze blog is gratis toegankelijk. Ondertussen ben ik mijn eigen uitgeverij begonnen. Ik ben een 21e eeuwse informatieproducent.
Het is een even boeiende als verwarrende periode met grote uitdagingen voor informatieproducenten en moeilijke keuzes voor informatieconsumenten. Pay-per-view, abonnementen, waardebepaling achteraf... business modellen genoeg, maar wat werkt echt in welke situatie? In 2012 blijft deze vraag hoog op mijn agenda staan...
Zie ook: 'Survival of the fittest content makers', een blog uit 2008.
Een kennismaking met autisme in fictie
Hoe werkt het brein van een 15-jarige jongen met autisme? Voor het antwoord op die vraag kun je een van de vele non fiction-boeken raadplegen. De droge feiten zullen je vertellen over Theory of Mind, coping-stijlen en detaildenken. Maar wat doet dat allemaal met de betrokkene in het dagelijks leven, als de verwarrende werkelijkheid van de sociale wereld zich aan je opdringt? Voor dat antwoord kun je terecht in Mark Haddon's roman 'Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht'.
Hoofdpersoon Christopher Boone vertelt in het boek zijn verhaal: hoe hij naar aanleiding van een dodelijke aanslag op het hondje van de overbuurvrouw er langzaam achterkomt hoe de volwassenen in zijn leven een totale puinhoop van hun leven hebben gemaakt. Christopher maakt ons daarbij deelgenoot van hoe hij dit alles beleeft.
Het boek leest als een trein (dit soort vergelijkingen mogen van de hoofdpersoon, in tegenstelling tot metaforen) en is afwisselend spannend, humoristisch en tragisch, waarbij steeds de 'kennisvoorsprong' van de niet-autistische lezer op de hoofdpersoon met autisme het effect versterkt. 'Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht' laat daarnaast zien dat kinderen met autisme ook hun talenten hebben. Zo is Christopher een begaafd analyticus en is hij een kei in wiskunde.
Knappe roman, met een verhaal dat nog lang blijft hangen.
Hoofdpersoon Christopher Boone vertelt in het boek zijn verhaal: hoe hij naar aanleiding van een dodelijke aanslag op het hondje van de overbuurvrouw er langzaam achterkomt hoe de volwassenen in zijn leven een totale puinhoop van hun leven hebben gemaakt. Christopher maakt ons daarbij deelgenoot van hoe hij dit alles beleeft.
Het boek leest als een trein (dit soort vergelijkingen mogen van de hoofdpersoon, in tegenstelling tot metaforen) en is afwisselend spannend, humoristisch en tragisch, waarbij steeds de 'kennisvoorsprong' van de niet-autistische lezer op de hoofdpersoon met autisme het effect versterkt. 'Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht' laat daarnaast zien dat kinderen met autisme ook hun talenten hebben. Zo is Christopher een begaafd analyticus en is hij een kei in wiskunde.
Knappe roman, met een verhaal dat nog lang blijft hangen.
01 januari 2012
Literatuurlijst 'Sociale media in het onderwijs'
Boeken
- Slimmerkunde, leergang voor onderbouw voortgezet onderwijs over slim omgaan met internet in het kader van school
- Louis Hilgers, Tessa van Zadelhoff en 123 co-auteurs - BoekTweePuntNul (Onderwijseditie), overzicht van 125 social media tools met inleidende artikelen over onderwijs en media en bij elke tool een onderwijstip
- Tom Gouman - #volgjemenog, over social media en de gevolgen van hoe we samen leven en werken
- Menno Lanting - Connect!, over de impact van sociale netwerken op organisaties en leiderschap
- Nicholas Carr - Het Ondiepe, over de risico's van gebruik van snelle, vluchtige media voor ons denken en onze productiviteit
- Ronald van den Hoff - Society 3.0, over de veranderende samenleving, waarin waardecreatie in netwerken traditionele modellen, ontstaan tijdens de industriële revolutie, gaat vervangen
Online bronnen
- Ideeënboek Sociale media in het onderwijs (Pdf)
- Protocol omgaan met sociale media van CNV Onderwijs (Word-bestand)
- Positief Social Media Protocol van Socialmediawijs (Word-bestand)
- Rapport Social media en de kansen voor het onderwijs van Kennisnet (Pdf)
- Verzameling lesbrieven met social media van H. van Schie (Pdf)
Artikelen
- #kutschool! Of: Hoe scholen om moeten gaan met sociale media, Joris van Meel
- De 25 meest gestelde vragen over sociale media in het onderwijs, Erno Mijland
- Learning Apart Together, Erno Mijland
- 100 Inspiring Ways to Use Social Media in the Classroom, Online Universities (Engelstalig)
Abonneren op:
Berichten (Atom)



