16 november 2017

Boost your brain... met een tweede taal

Kunnen communiceren in een andere taal is niet alleen handig voor je loopbaan. Tweetaligen presteren beter op cognitieve taken. Tweetalige Alzheimer-patiënten krijgen vier tot vijf jaar extra zonder de negatieve symptomen van deze ziekte. ‘Tweetaligheid geeft je brein een boost’, zegt onderzoekster Evy Woumans van de vakgroep Theoretische en Experimentele Psychologie van de Universiteit van Gent.

(interview uit 2015)

‘Meertaligheid is heel goed voor onze hersenen’, zegt Woumans. Zelf spreekt ze Frans, Engels, Duits, Deens en een beetje Zweeds. Na het afronden van haar opleiding tot vertaler, deed ze een master in Advanced Linguistics. Daar raakte ze geïnteresseerd in de ‘collateral benefits’ van tweetaligheid. De afgelopen jaren deed ze er onderzoek naar, waarop ze in mei van dit jaar promoveerde. Woumans: ‘Het positieve effect is het sterkst bij onderdompeling, als je de tweede taal moet gebruiken en niet kunt terugvallen op je moedertaal, in échte situaties. Bij kleuters hebben we dan zelfs een significant positief effect kunnen aantonen op taken die de intelligentie meten.’

Slimmere kleuters door een tweede taal... Hoe heeft u dat onderzocht?
‘We hebben een jaar lang kleuters van 4 tot 5 jaar gevolgd op een school in Wallonië. Thuis werden ze uitsluitend in het Frans opgevoed. Een deel van deze Franstalige kinderen kreeg de helft van de tijd les in het Nederlands. Geen taalles dus, maar lessen van een leerkracht die alleen Nederlands spreekt. Immersie-onderwijs wordt dat genoemd, ofwel: onderdompeling.
We lieten deze kinderen allerlei testjes doen, die je misschien kent vanuit intelligentietests. Ze kregen bijvoorbeeld een afbeelding voorgeschoteld waarin een stukje ontbrak. De taak was om uit zes puzzelstukjes het juiste te kiezen. Ook lieten we ze kaarten sorteren: eerst op de kleur van de afbeeldingen, dan op het aantal elementen op de kaarten.’

En dat deden ze beter dan de kinderen die alleen les in het Frans kregen?
‘Inderdaad. Ik vond de resultaten indrukwekkend. De kinderen presteerden beter in visuele taken, ze scoorden hoger op cognitieve flexibiliteit, ofwel het kunnen switchen tussen taken en het richten van hun aandacht. We keken naar hun intellectuele vaardigheden. De kleuters begonnen voor het onderzoek op hetzelfde niveau. Na een jaar scoorde de groep die tweetalig onderwijs had gekregen significant hoger op de tests.’

De taken die u beschrijft hebben niets met taal te maken. Wat is uw verklaring?
‘We vermoeden dat tweetaligheid extra uitdaging geeft aan je brein. Je oefent het brein in het nemen van beslissingen: moet ik in het Frans of in het Engels spreken? Daarvoor moet je alert zijn en je gedachten kunnen sturen. Je moet steeds switchen tussen verschillende contexten.
Ook het sociale aspect speelt hierbij een rol. We hebben scans gemaakt van tweetaligen die we het gezicht lieten zien van mensen uit hun omgeving. Was die persoon uitsluitend Franstalig, dan werd direct die taal geactiveerd in het brein. Als het ging om een tweetalige gesprekspartner werden beide talen actief bij het zien van hun gezicht.
Andere onderzoeken naar tweetaligheid komen overigens met vergelijkbare resultaten. Het komt steeds neer op meer controle, zelfregulering en een beter functionerend werkgeheugen.’

Behouden de kinderen deze voorsprong hun leven lang?
‘Om dat zeker te weten zouden we ze een leven lang moeten volgen. Maar andere studies wijzen wel op een positief effect van tweetaligheid op alle leeftijden. Dat is dan wel het sterkst meetbaar in de fases van ontwikkeling en aftakeling. Bijzonder: leerlingen in Brussel die tweetalig immersie-onderwijs volgen, blijken beter te scoren op de vakken die niet in hun moedertaal gegeven worden. Volwassen tweetaligen presteren cognitief beter dan hun eentalige leeftijdsgenoten, vooral als ze de tweede taal intensief gebruiken, zoals bij tolken en vertalers het geval is.
Ik heb ook onderzoek gedaan bij mensen met de ziekte van Alzheimer. Tweetalige patiënten krijgen vier tot vijf jaar later last van de symptomen. Dit onderzoek was al eens gedaan in Canada, onder immigranten. In mijn onderzoek wilde ik uitsluiten dat de gemeten effecten te maken hadden met het type mens: immigranten zijn misschien meer overlevers, ondernemers, mensen die hun brein op allerlei manieren blijven uitdagen. Wij hebben een onderzoeksgroep samengesteld waarbij dit aspect geen rol speelt.’

Als ik mijn brein op andere manieren uitdaag, kan ik dan hetzelfde bereiken?
‘Zeker. Aan sporten, het onderhouden van sociale interacties en nieuwe dingen leren, worden vergelijkbare positieve effecten voor het brein toegeschreven. Misschien is bij een combinatie hiervan zelfs wel een cumulatief effect mogelijk. Maar dat is erg moeilijk te onderzoeken. Er zijn nog wel meer vragen te beantwoorden. Zo weten we nog niet wat de ideale verhouding is tussen het gebruiken van de moedertaal en een tweede taal. En of de mate waarin de twee talen verschillen een rol speelt. Geeft het spreken van een dialect dezelfde boost? Ik kan nog wel even vooruit.’

Mag ik toch alvast een conclusie horen op basis van de kennis van nu?
‘Tot we precies weten hoe het zit, zou ik alleen maar willen zeggen: leer en gebruik een tweede taal, je hebt er op vele manieren profijt van. Ik hoop dat onderzoeken als deze ertoe bijdragen dat scholen meer onderwijs in een tweede taal gaan aanbieden, liefst verzorgd door leerkrachten die de taal goed spreken of voor wie het de moedertaal is.
In Vlaanderen ligt tweetalig onderwijs gevoelig, de taalstrijd speelt hier nog altijd een rol. Immersie-onderwijs is zelfs verboden, al mag nu een aantal scholen ermee gaan experimenten. De kinderen hebben er geen moeite mee. Integendeel, de Waalse kleuters vonden de lessen in het Nederlands erg leuk. Ze wilden telkens als ik op bezoek kwam erg graag laten horen wat ze al konden zeggen.’

08 november 2017

Onderzoeksvragen: van uitzoomen naar inzoomen met mindmaps

We hebben een lesje onderzoekend leren op het programma staan. Stel, ik geef leerlingen de opdracht een onderzoeksvraag te bedenken bij het thema 'weersextremen'. Hoppa, over de schutting, zie maar hoe ver je komt. Zeker met ongeoefende leerlingen zal het weinig sprankelends opleveren. Dus ga ik een proces begeleiden van van uitzoomen en inzoomen.

Stap 1: we maken een mindmap met alles waar je aan denkt bij het onderwerp. We zoomen uit en noteren onder andere 'stormen', 'Irma' en 'oog'. We benoemen 'stormen' als categorie, maken subcategorieën 'kenmerken' en 'namen van stormen', waaronder we 'Irma' en 'oog' hangen. En zo verder. Door het formuleren van subcategorieën komen we op nieuwe begrippen. 'Windkracht' misschien. En een eerste vraag: 'Wie bedenkt die namen voor de stormen?' We zijn los, hebben uitgezoomd en een breed beeld van het concept 'weersextremen'.

Stap 2: we zoomen nu in door een element uit de mindmap te lichten dat ons triggert, maar dat nog niet is uitgewerkt. Bijvoorbeeld: 'oog'.

Stap 3: we zoomen weer uit door te bedenken wat er allemaal met het begrip 'oog (van de storm)' samenhangt. Nieuwe begrippen verschijnen: 'windstil', 'diameter', 'geluid'...

Stap 4: pas nu gaan we onderzoeksvragen bedenken door weer in te zoomen op de nieuw toegevoegde begrippen:

  • 'Hoe kun je in het oog van een storm blijven totdat de storm is uitgewoed?'
  • 'Hoe scherp is de overgang tussen het oog van de storm en de omringende wind en wolken?'
  • 'Zijn vogels angstig stil of krijsen ze juist luid in paniek als ze van de storm in het oog terecht komen?'
Zomaar drie snel bedachte vragen die interessant zouden kunnen zijn om te onderzoeken. Of weet jij het antwoord al?

07 november 2017

Toekomstlessen op basisschool De Spoorzoeker


Vanmiddag verzorgde ik de tweede in een reeks van vijf toekomstlessen op basisschool Spoorzoeker in Kerkrade. Met zes plusgroep-leerlingen van groep 7 zijn we aan het onderzoeken hoe de wereld tot 2100 zal veranderen en wat dat betekent voor het leren op school nu.

In de eerste les hebben we met Post-its een mindmap gemaakt van levensgebieden (zoals vrije tijd, ontspanning, werk, gezondheid). Aan de hand van zelfgekozen Post-its zijn de leerlingen op zoek gegaan naar bronnen die onderbouwd voorspellingen doen over de toekomst. Zo vonden we een bron die vermeldt dat reizen in de ruimte in 2024 de normaalste zaak van de wereld is. De voorspellingen met bron plaatsten we op een tijdlijn, gemaakt in Padlet.

Vanmiddag vertrokken we vanuit deze tijd met de vraag: wat moet je allemaal kennen en kunnen in de toekomst en hoe zit het met de ethische kant? Voor het kennen en kunnen liet ik de leerlingen een 'rooster' maken voor een willekeurige schoolweek. Drie leerlingen kwamen uit zichzelf met de suggestie voor een nieuw vak: creaniek (creatief met techniek).

Voor het onderzoeken van de ethische kant, bestudeerden we de Moral Machine, een onderzoeksinstrument dat telkens een dilemma voorlegt voor het programmeren van een zelfrijdende auto. Wat moet die doen als er in een noodgeval gekozen moet worden tussen het leven van een zwangere vrouw en een bejaarde dame?

Het was een moeilijke les, vooral waar mijn vragen erg open waren. Bij de meer geleide opdrachten gingen de leerlingen flink 'op aan' met pittige discussies, rode wangen en een voorbij vliegende tijd tot gevolg.

Volgende keer gaan we onderzoek doen naar wat we nu weten over leren. Denk aan het belang van bewegen, maar ook slimme methodes om informatie te onthouden (Loci-methode). Mocht je suggesties hebben voor leuke werkvormen... ik hoor het graag!

In de vijfde bijeenkomst gaan de leerlingen de opbrengsten van hun onderzoek presenteren, onder andere aan leerkrachten van de school.

(Het project op de school dient verschillende doelen: nadere kennismaking met aanpakken van onderzoekend leren en functionele inzet van ict, uitdagende gastlessen voor de plusleerlingen en het gesprek over onderwijs voor de toekomst op gang brengen binnen de school.) 

29 oktober 2017

‘Hoog op de ranglijsten zegt niet alles!’

Dit artikel verscheen eerder in tijdschrift Vector van de Fontys Lerarenopleidingen Tilburg.

Finse rector bezoekt onderwijsstad Tilburg

‘Hoog op de ranglijsten? Dat zegt lang niet alles!’


Nederland kijkt met bewondering naar het succes van het Finse onderwijssysteem. In het gesprek over onze eigen keuken voeren eerder kritiek en ontevredenheid de boventoon. Het voelt dan even onwennig: een Finse rector die in Tilburg inspiratie komt halen voor haar school. Maar al snel blijkt: we kunnen vooral veel van en met elkaar leren.

Ze luistert, ze observeert, neemt af en toe een foto. Arja Aalto-Laaksonen is rector van de academische opleidingsschool van de Universiteit van Tampere. Ze verblijft een weekje in Nederland met een koffer vol vragen. ‘Ik wil weten hoe wij de didactische mogelijkheden van ict beter kunnen gaan gebruiken en hoe we ons onderwijs meer kunnen invullen vanuit projecten rond échte vragen en problemen. Ook wil ik ideeën opdoen voor het meer systematisch in kaart brengen van de kwaliteit van wat we doen.’

Na werkbezoeken aan onder andere het Heerbeeck College in Best, het Mencia de Mendoza Lyceum in Breda en het Hyperion Lyceum in Amsterdam staat vandaag, 20 april, een dagje Tilburg op het programma. Het menu: een lunch op de Fontys Lerarenopleiding Tilburg en een rondleiding op het Odulphus Lyceum, waar ook een gesprek plaatsvindt met studenten van de eerstegraads lerarenopleiding van de Tilburg University.

Gidsland
Als het gaat om onderwijs kan Finland gerust een gidsland genoemd worden. In de internationale PISA-ranglijst staat het land al jaren aan de top. Alle leraren zijn er universitair opgeleid. Maar wat maakt het Finse onderwijs nog meer bijzonder? Aalto-Laaksonen: ‘Onze leraren hebben veel autonomie in hun werk. Zo hebben we geen inspectie: het systeem is gebaseerd op vertrouwen in de professional. Wel is er zoiets als een nationaal curriculum dat het wát voorschrijft, de kennis die moet worden overgedragen. Er is veel tijd en ruimte om als team te werken aan de kwaliteit van het onderwijs, elkaars lessen te bezoeken en te werken aan de eigen ontwikkeling. Dat zorgt voor een professionele cultuur.’ Anton Bastiaenen, lerarenopleider Bèta+ van FLOT, was een week voor het Finse werkbezoek zelf in Finland. Hem vielen vooral de open werksfeer en rust in Finse scholen op.

Egaliserend
Aalto-Laaksonen vertelt dat in Finland de leerlingen van alle niveaus bij elkaar in de klas zitten totdat ze 16 jaar zijn. ‘Daar zitten twee gedachten achter. Ten eerste is er het sociale aspect van elkaar ontmoeten en leren samenwerken. Maar er is ook het feit dat kinderen zich in de puberteit nog zeer sterk kunnen ontwikkelen, bijvoorbeeld op het gebied van abstract denken. Jullie halen de kinderen te vroeg uit elkaar. Ik denk dat je daarmee de kans loopt dat er potentieel talent onbenut blijft. We geven leerlingen veel kansen om hun talent te ontdekken, maar hebben in zekere zin ook een egaliserende onderwijscultuur. De beste leerlingen zouden misschien verder kunnen komen als we ze bij elkaar zouden zetten met een passend aanbod. Differentiëren is overigens wel degelijk mogelijk. Het Finse voortgezet onderwijs kent geen profielen. Leerlingen volgen van alle vakken de basismodules, maar kunnen zich daarnaast specialiseren door extra modules te doen van de vakken die ze boeiend vinden of waar ze goed in zijn. Ons systeem past bij de Finse cultuur. Tegelijkertijd is het natuurlijk ook een politieke keuze hoe je je onderwijs organiseert.’

Normaalikoulou
De school van Aalto-Laaksonen is een zogenaamde normaalikoulou, waar leerlingen van 16-18 jaar zich voorbereiden op de universiteit. De school is onderdeel van de Universiteit van Tampere. Studenten van de lerarenopleiding doen er hun stages. Heeft Finland, net als Nederland, moeite om voldoende studenten te interesseren voor de lerarenopleiding? ‘Integendeel’, glimlacht Aalto-Laaksonen. ‘Het beroep van leraar is erg populair. Hoewel een dokter of jurist beter betaald wordt, willen veel jongeren naar de lerarenopleiding, we moeten zelfs selecteren. Jongeren zijn gemotiveerd voor het beroep omdat het werk is dat ertoe doet. De beroepsgroep kan rekenen op veel respect vanuit de samenleving. Ook de autonomie in het werk spreekt aan. Daarnaast is de betaling prima, al is dat nooit de belangrijkste drijfveer. En ja, veel vakantie vindt men ook aantrekkelijk.’

Master voor de klas
Het Finse systeem van leraren opleiden, lijkt op de manier waarop de universitaire lerarenopleiding in Nederland is vormgegeven, blijkt in een gesprek met drie studenten van de Tilburg University. Vincent van Hak behaalde eerst zijn master in filosofie en is nu bezig met de eenjarige opleiding tot docent: ‘We worden meteen voor de klas gezet. Er wordt immers van ons verwacht dat we voldoende vakkennis hebben opgedaan in de masteropleiding om een verhaal te kunnen vertellen. Enerzijds heb je met één jaar lerarenopleiding niet echt de tijd te groeien in je rol, maar dat kun je ook nog wel doen als je straks aan het werk bent als docent.’ Een verschil met Finland: de universitair opgeleide docenten in Nederland komen als eerstegrader uiteindelijk bijna allemaal terecht in de bovenbouw van de havo en in het vwo, In Finland zijn alle leraren, ook voor het basisonderwijs, universitair opgeleid.

Twee typen lerarenopleiding
Tijdens de lunch komt het Nederlandse onderwijssysteem ter sprake. De Finse rector is geïnteresseerd in het feit dat wij een hbo-opleiding kennen, die op bachelor- en masterniveau opleidt tot integrale docent met veel aandacht voor de professie van leraar. Hbo- en universitaire opleidingen hebben hun eigen gezicht. Hiermee kunnen we recht doen aan verschillende typen student. In de scholen functioneren afgestudeerden naast elkaar. Ze zijn complementair en dat wordt door scholen steeds meer als een goede mix gezien. Er lijkt dan ook geen sprake van concurrentie tussen de hogeschool en de universiteit. Integendeel: er is overleg om te kijken naar hoe de verbinding kan worden gevonden. Bij beide onderwijstypes hebben bijvoorbeeld de startende docenten de aandacht. Op een aantal scholen worden ze in het kader van het project Begeleiding Startende Leraren de eerste drie jaar begeleid door getrainde coaches.’

Kwaliteitsborging
FLOT-directeur Yvonne Visser licht toe hoe het kwaliteitsborgingssysteem in het hoger onderwijs werkt met accreditaties en tussentijdse (interne) audits. ‘Zo werken we gestructureerd aan kwaliteitsverbetering.’ Aalto-Laaksonen vindt met name de planmatige aanpak interessant, zoals die speelt bij de raadpleging van het werkveld waar het gaat over de masteropleidingen. In het gesprek gaat het over de vragen die daarbij ter sprake komen. Welke eigenschappen, kennis, vaardigheden, attitudes moet de ‘toekomstbestendige’ docent hebben? Wat onderscheidt de bachelor van de master en hoe kunnen we in gezamenlijkheid werken aan kwaliteit? Er komen voorbeelden ter tafel over hoe dit al wordt ingevuld. Bij de professionele leergemeenschappen spelen de lectoraten een belangrijke rol. Vakdidactische netwerken bieden studenten de gelegenheid afstudeeronderzoek of onderzoeksmatige opdrachten op de scholen uit te voeren. Ze zijn ook bedoeld voor de verdere professionalisering van collega’s in de scholen.

Een beetje langzaam
Terug naar het Finse verhaal. Het lijkt in veel opzichten perfect. Toch nog een keer die vraag: waarom dit bezoek, juist aan Nederland? Aalto-Laaksonen: ‘Ons onderwijs zorgt prima voor kennisoverdracht, het systeem is stabiel, maar daarmee ook een beetje langzaam. Nu er zoveel verandert in de wereld, dreigt zich dat te gaan wreken. We innoveren niet snel genoeg. PISA zegt niets over creativiteit, sociale vaardigheden en toekomstgerichtheid in je onderwijs, terwijl dat nu snel belangrijker wordt. Je moet je vooral niet blindstaren op onze hoge PISA-scores. Het is maar één manier om te kijken naar onderwijs. Wat ik hier tot nu toe heb gezien, is dat het Nederlandse onderwijs flexibeler is, dat men meer durft te experimenteren en meer doet met het uitwisselen van kennis, ervaringen en ideeën, ook in internationaal perspectief.’

Licht en ruimte
Een bezoek aan het Odulphus Lyceum blijkt die observatie van de rector te illustreren. Docent Michel Pijpers van de havo-afdeling geeft een rondleiding. ‘Drie jaar geleden hebben we hier een nieuw onderwijssysteem geïntroduceerd vanuit de vraag: hoe kunnen we leerlingen meer en dieper laten leren en beter gebruik maken van hun nieuwsgierigheid? We zijn begonnen met een klein groepje docenten die met het nieuwe concept aan de slag wilden, ondertussen zijn dat er veertig. Het schoolgebouw is hierop aangepast. We hebben grote, lichte lokalen met eilanden waar leerlingen in groepjes werken. In de meeste ruimtes is er geen centrale, vaste plek meer voor de docent. Die is immers minder bezig met klassikale instructie en meer met het coachen en uitdagen van individuele of groepjes leerlingen. Ict speelt een belangrijke rol: alle leerlingen hebben een laptop, een Chromebook, waarmee ze op hun eigen niveau, in hun eigen tempo kunnen werken.’ Aalto-Laaksonen is zichtbaar onder de indruk, ook van het gebouw. ‘Veel daglicht, de ruimte... de fysieke inrichting van de school bepaalt in hoge mate hoe het onderwijs wordt verzorgd en door de leerlingen wordt ervaren.’ Pijpers lacht bevestigend: ‘Een leerlingen zei me laatst: dit is geen school, dit is een leeromgeving.’

Zelfevaluatie
Innoveren en werken aan de kwaliteit van het onderwijs is in Tampere dé grote uitdaging. ‘We hebben sinds twintig jaar geen inspectie meer. Dat willen we graag zo houden. We willen zelf bepalen hoe we ons onderwijs verbeteren. Maar daarvoor missen we nog een systematische, structurele aanpak. Ik hoop dat we een vorm van zelfevaluatie kunnen vinden die ons verder brengt. Ook hoop ik dat we stappen kunnen maken op het gebied van de didactische inzet van ict. Er wordt binnen onze school wel gebruik gemaakt van iPads, maar dat komt toch vooral neer op het lezen van ebooks en het doen van testen. Een enkele docent is bezig met het maken van instructievideo’s. Ik ben benieuwd naar andere mogelijkheden, bijvoorbeeld hoe je games kunt inzetten en ict kunt inzetten in projecten.’ Daar kan Kristi Jauregi, een van de lectoren bij FLOT, wel iets over vertellen. Ze belichtte het feit dat leerlingen in toenemende mate, ‘global citizens’ zijn. Dat kun je verzilveren door ze via online samen leren (telecollaboration) bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld in virtuele taaldorpen.

Internationale samenwerking
Ook leraren kijken steeds vaker over de grenzen. Lerarenopleider en mastercoördinator Linda Gijsen vertelde over het onderzoek waaraan ze werkt: het ontwerpen van vakdidactische opdrachten met lerarenopleiders in het buitenland. Dit draagt tevens bij aan het besef van multiculturaliteit. Ook sluit het aan bij het idee dat docenten cultuurdragers en cultuuroverdragers zouden moeten zijn en dat de lerarenopleiding daar invulling aan moet geven. Het bezoek aan Tilburg heeft veel inspiratie opgeleverd, besluit Aalto-Laaksonen: ‘Maar we zijn er nog niet. Van hieruit zouden we meer de internationale samenwerking moeten zoeken, meer met elkaar in gesprek gaan vanuit een gemeenschappelijk begrippenkader. Deze week is daarvoor de basis gelegd.’

Het werkbezoek van Arja Aalto-Laaksonen aan Tilburg werd georganiseerd door Jacintha Melenhorst, voorzitter mastercoördinatoren en teamleider talen van de Fontys Lerarenopleiding Tilburg.

16 oktober 2017

Gedicht: Barefoot

mijn alle gevoel dempende
stampende, dampende
hardloopschoenen
blijven uit, blijven thuis

buiten, bos en heide, ren ik
goedschiks blootsvoets
stappen in warm zand
passen door een plas
of op dauwnat gras

het heerlijke hollen
in een andere kadans
van landen en afzetten
vastgelegd in afdrukken
van hakken en tenen
zo wordt mijn hollen

stilaan stilstaan

16 augustus 2017

Als arbeid goedkoop is...

Van 15 juli tot 6 augustus verbleef ik in Zuid-Afrika. Dit is de zesde van een serie blogs over deze vakantie.

In Zuid-Afrika is arbeid goedkoop. Vooral de zwarte bevolking werkt voor een habbekrats, vooral in dienst van rijke blanken. Als je op reis bent door het land, word je hier overal mee geconfronteerd. Degene die je koffer naar de kamer zeult is zwart, de hoteleigenaar is blank. Degene die in het tolpoortje € 1,40 met je afrekent is zwart. Degene die je auto vol tankt is zwart. Op een parkeerterrein zal een zwarte man je een plekje wijzen en je met gebaren veilig laten inparkeren. We bezochten een garage: de eigenaar was blank, de monteurs waren allemaal zwart.

Vanuit het Nederlandse perspectief voelt dit niet goed. Ik vond het genant om een donkere man of vrouw mijn koffers naar de kamer te laten brengen. Dat kan ik toch zelf wel! Een meer ervaren Zuid-Afrika-ganger probeerde me uit te leggen: als je dat allemaal zelf zou doen, ontneem je die man of vrouw de mogelijkheid wat te verdienen. Probeer gewoon te genieten van de service. Ik begrijp het, maar het ongemakkelijke gevoel blijft, ook omdat je door mee te doen toch de verschillen helpt voortbestaan.

Tegelijkertijd kan Nederland wel wat leren van Zuid-Afrika. Veel banen bestaan hier niet of nauwelijks omdat we dingen zelf (moeten) doen: we pakken bij de supermarkt zelf onze tassen in en tanken zelf onze benzine. Veel 'service' is kennelijk te duur geworden. Dat is eigenlijk een verarming. Er is niemand die je vriendelijk goedemorgen wenst als je de parkeergarage inrijdt en we zijn altijd maar druk, druk, druk omdat het te duur is (of we het te duur vinden) werk uit te besteden, terwijl er genoeg mensen moeten zijn zonder baan, die graag willen werken. In Zuid-Afrika ervaar je meer vriendelijkheid en dienstbaarheid.

Als Zuid-Afrika ons voorbeeld snel zou opvolgen, zal dat leiden tot een enorme werkloosheid onder dat deel van de bevolking dat het toch al moeilijk heeft. Dat zal nog meer sociale onrust met zich meebrengen. Ik las in een Zuid-Afrikaanse krant dat men dit als een dilemma ziet, omdat men eigenlijk ook mee wil met de westerse wereld.

Autisme in een comedy serie: 'Atypical'


Sam is een jongen van 18 met autisme. Hij heeft moeite met het begrijpen van eigen emoties en die van anderen, sociale codes en dubbelzinnig taalgebruik, raakt snel overprikkeld en kan niet uitgepraat raken over pinguïns. Maar hij is ook een 18-jarige die de gewone dingen wil doen die je als 18-jarige wilt doen. Zoals verliefd worden, een meisje hebben, je seksualiteit ontdekken. Hoe ingewikkeld dat ook is.

Sam is de hoofdpersonage in de nieuwe Netflix-serie 'Atypical'. Een comedy-serie. En eigenlijk wel iets meer dan dat. Zeker, de personages zijn karikaturen: een overbezorgde moeder, een vader die moeite heeft een échte relatie met zijn zoon te hebben, een oversekste vriend en een begeleidster die Sam helpt zijn leven op orde te krijgen, maar haar eigen leven niet op orde heeft. Ze zijn allemaal even 'likable' en... onnatuurlijk goed gebekt. En ja, er passeren de nodige Amerikaanse clichés (met een flinke dosis zoetsappigheid).

Maar het is ook een serie die echt leuk en soms ontroerend is, een serie die op een luchtige, hier en daar op een serieuze en aangrijpende manier autisme onder de aandacht brengt, maar uiteindelijk ook gaat over veel meer dan alleen het overleven met een autisme spectrum stoornis en de impact van autisme op het gezin.

De eerste serie staat op Netflix en bestaat uit acht afleveringen van ongeveer een half uur.

(Ik ben benieuwd wat ervaringsdeskundigen van de serie vinden. Je reactie is welkom via de comments.)

15 augustus 2017

Op safari in Zuid-Afrika

Van 15 juli tot 6 augustus verbleef ik in Zuid-Afrika. Dit is de vijfde van een serie blogs over deze vakantie.


Luipaard, een van de Big Five. Foto: Ino Mijland
Oog in oog met een luipaard. Door je verrekijker zien hoe een krokodil de bek openspert. Een kudde impala's die met sierlijke sprongen de weg oversteken. Zuid-Afrika staat garant voor indrukwekkende ontmoetingen met 'wildlife' in de vele wildparken, met Kruger Park als grootste en meest bekende park.

We hebben in drie weken verschillende van deze parken bezocht. Die ervaring heeft geleerd dat je de mooiste ervaringen hebt als je met een gids (ranger) op pad gaat in een park waar particulieren niet met de eigen auto in mogen, zoals Sabi Sands, dat grenst aan Kruger. Rangers, geassisteerd door een ervaren spoorzoeker en in communicatie met collega's in een bepaald gebied, weten vaak bijzonder wild te traceren. Dat wild reageert natuurlijker dan in parken waar opstoppingen van personenauto's ontstaan bij een groep overstekende olifanten. In Ximongwe River Camp hebben we ook een wandelsafari gedaan: dit geeft een veel intensere beleving dan het kijken vanuit een auto, maar je bereik is natuurlijk kleiner. Groot voordeel is dat je veel meer hoort: tijdens een autosafari voert de ronkende motor vaak de boventoon.

Uiteindelijk hebben we de Big Five (buffel, luipaard, leeuw, neushoorn, olifant) gezien, veel bijzondere vogels, krokodillen, nijlpaarden en veel soorten antilopen, zoals de koedoe en de impala. We hebben veel geleerd van de interessante, gepassioneerde verhalen van de rangers over het leven van de dieren en de functie en eigenschappen van planten en bomen.

14 augustus 2017

Rennen in Zuid-Afrika

Van 15 juli tot 6 augustus verbleef ik in Zuid-Afrika. Dit is de vierde van een serie blogs over deze vakantie.

Bij vakantie hoort voor mij het rennend verkennen van de omgeving. Wat heb ik genoten van de Franse Alpen, de Schotse Hooglanden, de Ardennen, de Italiaanse Dolomieten, maar ook Berlijn en New York (marathons).

Ook in drie weken Zuid-Afrika heb ik geprobeerd het landschap rennend te verkennen.

Een geweldige ervaring is het lopen in parken waar ongevaarlijk wild vrij rondloopt, zoals Marloth Park, dat grenst aan de zuidkant van Kruger Park. Niet alleen liep ik er tussen zebra's, giraffen (zie foto) en impala's, er was ook een mooi zandpad langs de Krokodillenrivier, dat in Kruger ligt maar. Andere plekken waar ik op deze manier wat kilometers maakte waren het Mlilwane Park in Swaziland, False Bay en de Drakensbergen. Zuid-Afrika heeft ook strand. In Durban rende ik enkele kilometers over het strand, deels blootsvoets natuurlijk.

In totaal heb ik 81 kilometer gerend. Niet veel voor drie weken. Deels komt dat omdat we ook verbleven op plekken waar ik niet uit de voeten kon, met name in de wildparken waar gevaarlijk wild voorkomt, zoals in het erg mooie Sabi Sands. 

13 augustus 2017

Rinkelende alarmbellen!

Van 15 juli tot 6 augustus verbleef ik in Zuid-Afrika. Dit is de derde van een serie blogs over deze vakantie.

Na wat boodschappen gedaan te hebben, wilde ik nog even wat contant geld pinnen in het plaatsje Komatipoort. Twee geldautomaten naast elkaar, buiten bij een bankgebouw, in een redelijk net winkelgebied met een security-meneer op de parkeerplaats... dat leek me veilig. Moeder, vrouw en dochter in de buurt. Geen situatie waarin alarmbellen gaan rinkelen.

Toen ik aan de beurt was, kreeg ik mijn pas niet de daarvoor bestemde gleuf. Er gingen geen alarmbellen rinkelen. Een vriendelijke, nette man bood me aan te helpen. Hij nam de pas van me aan en duwde hem met een stevige beweging de machine in. Dacht ik. Er gingen nog steeds geen alarmbellen rinkelen. De man wees aan dat ik mijn pincode kon invoeren en draaide zich duidelijk om. Dus ik tikte mijn pincode in, het toetsenbord als altijd afschermend met een hand. Er gebeurde niets. Nu gingen er wel alarmbellen rinkelen. Ik wilde mijn pas terugvragen, maar die kwam niet. Toen ik in de gleuf keek, zag ik een muntje liggen dat mijn pas had tegengehouden. De vriendelijke man was ineens nergens meer te bekennen. Ook een tweetal anderen was verdwenen, terwijl ze eerder nog achter mij in de rij stonden. Razendsnel viel nu ook het muntje in mijn hoofd.

Met de gestolen pas is direct na de diefstal een keer gepind, mogelijk door een medeplichtige, op de automaat ernaast. Gelukkig konden we redelijk snel onze bank verwittigen, waarna de pas geblokkeerd werd. Het gestolen bedrag hebben we teruggekregen van de bank.

Ik heb nog dagenlang gepiekerd over de vraag hoe ik het zover kon laten komen. Waarom gingen niet eerder de alarmbellen rinkelen?