15 januari 2012

‘Onderwijs begint met verbondenheid’

Het gaat goed én slecht met onze jongeren. Met een zwarte bril zien we jeugdcriminaliteit, schooluitval en agressie in de openbare ruimte, met een roze bril de rijkdom in het westen, de mogelijkheden die het internet biedt en een duizelingwekkende vooruitgang in de wetenschap. Hoe ziet goed onderwijs eruit in die context?

Rond die vraag had ik medio 2010 een gesprek met Marcel van Herpen (1967), projectleider van het expertisecentrum voor Duurzaam Opvoeden en Ontwikkelen en van het expertisecentrum voor ErvaringsGericht Onderwijs Nederland. Van Herpen is medeoprichter van de op het gedachtegoed van ervaringsgericht onderwijs gebaseerde basisschool Uilenspiegel in Boekel en van het NIVOZ. Daarnaast is hij auteur van ErvaringsGericht Onderwijs; van oriëntatie tot implementatie en Duurzaam opvoeden en ontwikkelen.

Onderstaand interview verscheen in 2010 in tijdschrift COS. Omdat Marcel van Herpen morgen keynote spreker is op het onderwijssymposium Als normaal anders is Alkmaar, heb ik het nog eens uit mijn archief gehaald.

‘Ik ben geen pessimist, ook geen uitgesproken optimist. Ik geloof wel in de kracht van constructief aan de slag gaan met de werkelijkheid zoals die op ons pad komt’, vertelt Van Herpen over het gedachtengoed van duurzaam opvoeden en ontwikkelen. Zijn boek over dit thema is een snoepwinkel van ideeën, citaten, dialogen, analyses, visies en kennismakingen met het werk van hedendaagse denkers. Van Herpen is een ambassadeur van het ervaringsgerichte onderwijs. ‘Je leert van rijke ervaringen en de reflectie daarop.’ De ervaringen van de auteur in en met het onderwijs zijn dan ook een vertrekpunt voor zijn gedachten en visie. ‘Ik loop een keer met een directeur door de gang van zijn school. Er ligt een jas op de grond. Hij zegt dat kinderen tegenwoordig nergens meer respect voor hebben en schopt de jas aan de kant. Ik reageer verbaasd en hij erkent meteen dat hij inderdaad eigenlijk zo niet met de spullen van de leerlingen om zou moeten gaam. Hoe kun je van kinderen verwachten dat zij zich verantwoordelijk gaan gedragen als zelf niet het goede voorbeeld geeft? In het onderwijs handel je naar de waarden die je bij je leerlingen terug wilt zien. Je doet dat zodanig dat leerlingen jouw manier van doen zien als het goede. Noem het voorleven.’

Je boek is een pleidooi voor duurzaamheid. Doen scholen nog niet genoeg aan het milieu en de derde wereld?
‘Duurzaamheid gaat verder dan dat. Het is in zekere zin een containerbegrip, maar het biedt wel een zinvol kader om te kijken naar onderwijs. Duurzaamheid is voor mij het tegenovergestelde van ontkoppeling: van mensen onderling, van mensen en hun toekomst of van hun omgeving. Ontkoppeling is funest. Een leerling die ontkoppeld raakt op school, zal destructief gedrag gaan vertonen. Dat zit ook in iets als het geven van een onvoldoende: je zegt ermee dat de leerling niet voldoet. Je zou dan ook geen onvoldoendes moeten geven. Als mensen ontkoppeld raken van hun eigen toekomst leidt dat tot wat Al Gore een unconvenient truth noemt. Het gaat dus om verbondenheid. Wat is een tak nog als die niet meer vast zit aan een boom? Op school is de verbondenheid van een leraar met een leerling, van leerlingen onderling ook, essentieel. Als je je niet verbonden voelt met je school, waarom zou je er dan je best willen doen en beter willen worden?’

Wat hebben we aan een visie op duurzaam onderwijs? Van Iederwijs tot BON, er zijn al zoveel ideeën hoe het beter kan.
‘Ik heb het gevoel dat we niets opschieten met discussies zoals die over het nieuwe leren versus het oude leren. De polemiek is van een te lage orde, gaat alleen over het hoe en verzandt steeds in gestandaardiseerde onderwijsmodellen en -concepten. Die zijn niet het antwoord. Als je een niveau hoger kijkt, zie je ineens dat we uiteindelijk allemaal hetzelfde willen: ervoor zorgen dat onze kinderen opgroeien tot vrije én verantwoordelijke deelnemers aan de samenleving. Dan gaat het ineens niet meer over gelijk krijgen of over politiek. Ik ben vooral op zoek naar de gemeenschappelijke waarden, naar de kern, en geef dan ook bewust geen recepten of kant-en-klare schema’s of modellen voor onderwijs. Ik beschrijf het wat en waarom, maar schrijf het hoe niet voor.’

Ervaring is een belangrijk thema in je boek.
‘Er is een tendens om steeds vroeger met formeel leren te beginnen, terwijl de basis - ervaring - er bij het kind nog niet is. De prestatiemaatschappij verlangt snel resultaat en lijkt niet geïnteresseerd in het fundament dat er onder ligt. Dat stoort me. Er is volop wetenschappelijk bewijs dat ervaring essentieel is voor leren. Een voorbeeld? Wist je dat succesvolle ingenieurs opvallend vaak boerenzonen zijn. Waarom? Ze hebben vroeger met de materie gespeeld, waarmee ze nu construeren: zand, klei, stenen. Of neem de toename van het aantal geschaarde vrachtwagens. Een verklaring: het toegenomen comfort van de stoel en de cabine ontkoppelt de chauffeur van de fysieke ervaring. Terug naar het onderwijs: een van de grootste pedagogische drama’s van deze tijd is dat kinderen steeds minder fysieke ervaringen opdoen in natuurlijke omgevingen. Als ze al ervaringen opdoen, mogen die niet mislukken. Speeltoestellen zijn hufterproef, er is alleen een boswandeling in de herfst.’

Het internet, de virtuele wereld is een steeds belangrijkere factor in de wereld van jongeren... en bij uitstek weinig fysiek.
‘Dat is waar. Wie veel achter de computer zit, heeft minder tijd over voor het opdoen van fysieke ervaringen en beweegt ook minder. Maar het internet biedt ook volop mogelijkheden die je aan zou moeten grijpen. De netwerkachtige manier van informatie doorzoeken en ordenen, de prominente rol van het beeld... het sluit heel erg goed aan op de manier waarop onze hersenen leren en zich ontwikkelen, vaak beter dan wat het traditionele boek ons biedt. Internet geeft ook gereedschappen voor zelfstandig werken, ordenen en plannen. Het heeft dus voor- en nadelen, de kunst is om er op een constructieve manier mee om te gaan. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen, zoals het feit dat de fysieke en de virtuele wereld steeds meer in elkaar vloeien.’

Je hebt het ook over autonomie, een begrip dat veel mensen in het onderwijs associëren met het laten zwemmen van leerlingen.
‘Autonomie betekent niet dat je als leerling de baas bent en alles maar zelf mag bepalen. Het betekent wel dat je de verantwoordelijkheid krijgt om te laten zien wat je kunt. De rol van de leraar is daarbij heel belangrijk. Je moet leerlingen helpen als ze niet verder komen, als iets niet lukt, je moet ze troosten als ze verdriet hebben. Door ze daarna zo snel mogelijk op hun eigen kracht te wijzen, maak je ze niet afhankelijk van je hulp. Het gaat erom uitdagende vragen te stellen, die kinderen op hun tenen laten lopen, maar ze ook de mogelijkheid bieden een succeservaring te ervaren en waardering te oogsten. Als ouders doen we dat als vanzelfsprekend. We weten precies wanneer we de zijwieltjes van de fiets kunnen halen, laten het kind vervolgens zelf proberen of het lukt. We geven vertrouwen - “Je kunt het!” - en steken pas een helpende hand toe als het kind aangeeft dat het echt niet gaat lukken. Zo werkt het ook in de klas. Als leerlingen zich gewaardeerd voelen en jouw vertrouwen ervaren leren ze. En... is er geen  ordeprobleem.’

Je wilt liever geen modellen geven. Kun je wel vertellen hoe de ideale, duurzame school eruit ziet?
‘Die school creëert rijke omgevingen en biedt ruimte voor experimenteren, eigen initiatief. Er wordt een beroep gedaan op verschillende vormen van intelligentie. Fouten worden er beschouwd als onderdeel van het leerproces. Er worden veel ervaringen aangeboden vanuit de werkelijkheid, ook de eigen werkelijkheid van het kind. Leerlingen gaan bijvoorbeeld een dagdeel per week werken op een boerderij, maken kennis met de beroepen van de ouders. Ze gaan naar een verzorgingshuis, waar ze kennis maken met het echte leven, ook met de moeilijkere dingen, zoals de confrontatie met patiënten. Ze leren hoe je vrienden maakt en relaties onderhoudt, dingen die er echt toe doen. En er worden geen etiketjes geplakt. Een leerling is niet een set gedragskenmerken, maar een uniek individu met unieke talenten. Op een ideale school kun je die laten zien en ze verder ontwikkelen.’

Meer informatie over Marcel van Herpen vind je op zijn website.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen